De Franse revolutie (1789) nader bekeken

De achtergrond
De Franse revolutie was een reactie op het absolutistische regime van Lodewijk XIV, we moeten dus bij hem beginnen. Hij behoorde tot de absolutistische vorsten. Deze meenden dat ze hun macht rechtstreeks ontleenden aan God (le droit devin), een parlement had dus niet meer dan een adviserende functie (l‘état c’est moi”). Een tweede kenmerk van dit regime was dat het diep verweven was met de standenstaat, die gezien werd als een eeuwige, goddelijke ordening. Hierin hadden adel en geestelijkheid bijzondere rechten.
xxxxMaar in die tijd ontwikkelde zich in grote steden als Londen en Parijs een behoorlijk opgeleide, zelfstandig denkende “verlichte” burgerij die in opstand kwam tegen de arrogante macht van de koning en de weelde van het Versailles. Montesqieu en Voltaire benadrukten dat de koning ook maar een gewoon mens was en dat zijn macht niet berustte op eeuwige goddelijke beginselen maar gewoon historisch was gegroeid. Dit had tot gevolg dat men zich enorm ging interesseren voor historische ontwikkelingsprocessen en de eerste evolutietheorieën ontstonden. Dit ging zo diep dat er zelfs een andere tijdsbeleving ontstond.

De regering van koning Lodewijk XVI (1774-1789 en verzwakt tot 1792).
Onder de koningen Lodewijk XV en XVI ontstonden er grote economische problemen en daarom wilde de laatste nieuwe belastingen invoeren. Zijn macht was echter zozeer verzwakt dat hij dit niet aandurfde zonder de toestemming te vragen van de Staten-Generaal (die sinds .. niet meer had vergaderd). Dit betekende het einde van het absolutistisch karakter van het koningschap.

De periode van de Assemblée Nationale Constituante (Nationale Grondwetvormende Vergadering) (1789-91).
De bijeenkomst van de Staten-Generaal vond plaats op 5 mei 1789. Deze Staten-Generaal bestond uit drie standen: de adel, de geestelijkheid en de gegoede burgerij. De boeren en de paupers waren niet vertegenwoordigd. De bijeenkomst liep heel anders dan de koning had gehoopt: de derde stand eiste een ander kiesstelsel en een grondwet. Dit nieuwe kiesstelsel was niet meer gebaseerd op de drie standen, maar op hoofdelijke stemming. Hiermee kreeg de derde stand de meerderheid. Deze scheidde zich af en riep zichzelf uit tot de Nationale Grondwetgevende Vergadering. De adel en de (vooral lagere) geestelijkheid sloten zich daarbij aan.
xxxxOp 14 juli ontstond in Parijs een volksoproer dat leidde tot de bestorming van de Bastille, het symbool van de heersende macht. Hiermee deed de vierde stand zijn intrede. Het oproer verspreidde zich door het hele land en noodzaakte de plaatselijke machthebbers een eind te maken aan de horigheid en andere feodale lasten. Hoewel de opstand in principe was gericht tegen de koning voelde de gegoede burgerij zich ook bedreigd door de macht van de vierde stand en velen vluchtten naar het buitenland.
xxxxOnderwijl beraadslaagde de Vergadering over de op te stellen grondwet. Deze liet men, naar Amerikaans voorbeeld, vooraf gaan door een “Verklaring van de Rechten van de Mens en van de Burger, welke op 26 augustus werd aangenomen. De grondwet zelf werd in 1791 voltooid en op 13 september door Lodewijk XVI (met grote tegenzin) bekrachtigd (de eerste grondwet). Hiermee begon wat genoemd wordt het “constitutioneel koningschap”, waarbij de koning de uitvoerende macht behield. De grondwet droeg de wetgevende macht over aan een nieuw regeringsorgaan, het volgende:

De Assemblée Nationale Législative (Nationale Wetgevende Vergadering) (1791-92)
Door de grondwet van 1791 raakte de koning zijn gezag kwijt en gingen de gemeenten zelfstandiger optreden. Er ontstond een tegenstelling tussen de Girondijnen (conservatieven, bestreden ook de macht van de volksklasse) en de Jacobijnen (“democraten’’)
xxxxDit nieuwe revolutionaire regeringsorgaan ondervond veel tegenstand. De bij het begin van de revolutie naar het buitenland gevluchte Fransen begonnen zich te organiseren en in augustus 1791 sloten de keizer van Oostenrijk en de koning van Pruisen een verbond. Op 20 april 1792 verklaarde men de oorlog aan de keizer van Oostenrijk en trokken Franse troepen het tot Oostenrijk behorende België binnen. In juli 1792 vielen de verenigde legers van Oostenrijk en Pruisen Frankrijk binnen en trokken op richting Parijs. Hierdoor voelde de revolutionaire regering zich zeer bedreigd (“Het vaderland is in gevaar”).
xxxxOp 10 augustus 1792 bestormde het volk (het paleis) de Tuilerieën, de toenmalige verblijfplaats van de koning en zijn gezin en werd de koning, die beschuldig was van verraad, gevangen gezet. Er werden verkiezingen gehouden volgens het nieuwe algemene kiesrecht en dit leidde tot weer een nieuw regeringsorgaan: de Nationale Conventie (Convention Nationale).

De Convention Nationale (nationale conventie) (1792-95)
Deze Conventie kwam voor het eerst bijeen op op 21 september 1792 en besloot tot afschaffing van het koningschap. Op 22 september werd de republiek uitgeroepen en daarvoor was er weer een nieuwe grondwet (de tweede) nodig (deze werd later op 24 juni 1793 aangenomen, maar trad niet echt in werking). Op 21 januari 1793 werd Lodewijk XVI (wegens) verraad terechtgesteld met de guillotine.
xxxxDe oorlog tegen Oostenrijk-Pruisen verliep voorspoedig en in Januari 1793 verklaarde Frankrijk ook de oorlog aan Engeland en Nederland.
De volgende periode was de periode van het schrikbewind (juli 1793-juli 1794). De leider hiervan was Robespierre en deze beschouwde terreur als een noodzakelijk instrument om de orde te herstellen. Er werd een “tribunal révolutionnaire” ingesteld. Op 16 oktober 1793 kwam Marie Antoinette onder de guillotine. Er werd een algemene dienstplicht ingesteld, waardoor Frankrijk het grootste leger kreeg van Europa. De belangrijkste medestanders van Robespierre waren Danton, Hébert en Carnot. De eerste twee vielen echter later bij hem in ongenade en werden veroordeeld tot de guillotine. Ze waren alle vier geassocieerd met de de partij van de Jacobijnen.
xxxxOnderwijl was het Franse leger zeer succesvol en bezette België en het Rijngebied. Hierdoor was het schrikbewind niet meer nodig en op 27 juli 1974 werd hij overmeesterd en terechtgesteld.

Het Directoraat (Directoire). 1795-99
In 1795 werd de Nationale Conventie met zijn schrikbewind vervangen door het veel gematigder directoraat (“directoire). Toch begon men weer oorlog met Duitsland, Oostenrijk en Italië. Die met Italië verliep buitengewoon succesvol onder generaal Bonaparte. Ook de Kerkelijke Staat werd bezet.

Machtsovername door Napoleon. 1799-1804
In 1799 pleegde Napoleon een staatsgreep en maakte daarmee een einde aan het Directoraat. Aan het hoofd stonden drie “consuls”, waarvan Napoleon zelf de belangrijkste was.

Keizer Napoleon. 1804-1815
In 1804 liet Napoleon zich tot keizer kronen. Hij voerde veel goede wetten in, maar kwam in 1815 definitief ten val bij de slag bij Waterloo tegen het leger van Nelson.

De Restauratie (1815)
Bij het Congres van Wenen (1815) werd het koningschap weer hersteld. In Frankrijk kwam Lodewijk XVIII op de troon. In Nederland had tussen 1806 en 1810 koning Lodewijk Napoleon geregeerd, maar in 1815 werd het Huis van Oranje-Nassau als koningshuis bevestigt.

De psychologische impact
In Engeland had men een diepe afkeer van zowel de Franse revolutie als van Napoleon. Op het vasteland werd hij weliswaar bestreden, maar ook heimelijk bewonderd. Goethe noemde hem “een geest die over Europa waart”. Wat veel intellectuelen vooral verwonderde was de onvoorspelbaarheid en grilligheid van het verloop van de geschiedenis. De revolutie was begonnen met een opstand tegen een koning en eindigde met een keizer. Kennelijk waren er overal in de kosmos onzichtbare krachten aan het werk die hun eigen gang gingen, onafhankelijk van menselijke planning. Dit leidde in de geschiedeniswetenschap tot concepten als “Weltgeist” (Hegel) en “Wille” (Schopenhauer). In de natuurwetenschap leidde het tot het concept natuurkracht (later overgaand in energie). In de psychologie leidde het tot het concept onbewuste.