Nietzsche: ressentiment “sublimeren” tot nobele idealen (het Umwertungs-mechanisme)

Nietzsche maakte onderscheid tussen “Herrenmoral” en “Sklavenmoral”. De Herrenmoral was de tamelijk simpele moraal van de heersers die onbekommerd en zonder schuldgevoel hun macht uitoefenden. Voor hun stonden kracht, strijd en fysieke superioriteit centraal. Hij dacht hierbij aan de Griekse Homerische helden, maar ook aan (zijn beeld van) de middeleeuwse adel, met zijn riddertoernooien en ridderlijke deugden. Daar tegenover stond de slavenmoraal van de christenen. In zijn “Zur Genealogie der Moral, Eine Streitschrift” beschreef hij op beeldende wijze hoe volgens hem het christendom ontstond en zich verbreidde doordat Joden, gedreven door ressentiment tegen hun (voornamelijk Romeinse) onderdrukkers, deugden als naastenliefde en vergevingsgezindheid gingen verheerlijken: 

Wil iemand eens even een blik omlaag werpen in het mysterie van hoe men op aarde idealen fabriceert? … die donkere werkplaats  …  Wat speelt zich daar beneden af? … [ik hoor] een arglistig zacht gemompel … Ik krijg de indruk dat ze liegen … De zwakte moet tot een verdienste omgebogen worden … en de onmacht die niet vergelden kan tot “goedheid” …  zij noemen het niet “vergelding” wat zij eisen, maar “de triomf van de gerechtigheid …” [1]

Bij dit mechanisme van “Umwertung aller Werte” wordt de waarde van lichamelijke kracht en strijd vervangen door waarden als medelijden, nederigheid en naastenliefde. Hierbij wordt de waarde van lichamelijke strijd vervangen door de waarde van geestelijke strijd en dat is vergelijkbaar met het mechanisme van de “sublimatie” van Freud. Nietzsche erkent ook dat bij dit omzettingsproces ingenieuze intelligentie een grote rol speelt, de Joden werden hierdoor dus slimmer dan hun onderdrukkers. Het blijft moeilijk het mechanisme dat Nietzsche op het oog had precies te formuleren (kon hij het zelf?), maar het ziet er naar uit dat het creëren en verheerlijken van deugden als naastenliefde en vergevingsgezindheid de Joden de mogelijkheid gaf hun onderdrukkers ervan te beschuldigen ten aanzien van deze deugden te kort te schieten daarvan een belangrijk onderdeel was.

Alles bij elkaar lijkt het moeilijk te ontkennen dat Nietzsche hier een belangrijk psychologisch mechanisme op het spoor was. Maar men moet er heel voorzichtig mee zijn. Stel dat iemand in uiterst armoedige omstandigheden is opgegroeid en dat hij later, bijvoorbeeld als fervent socialist, probeert de armoede uit de wereld te bannen. Dan maakt het een groot verschil of hij dat doet uit haat tegen de “uitbuiters” en het “grootkapitaal” waar hij wraak op wil nemen, of dat hij dat doet vanuit de motivatie dat hij anderen de ellende van de armoede wil besparen die hij zelf aan den lijve heeft ondervonden (vermoedelijk is zijn motivatie een combinatie van beide). 

             Zonder dat dit zijn redenering fundamenteel aantast kan men zich afvragen of Nietzsche op een bepaald punt niet inconsequent was. Hij juicht het toe dat de sterken genieten van hun eigen kracht en overwinningen, maar als de zwakken in hun fantasie datzelfde willen doen keurt hij dat af: “En hoe noemen ze datgene wat hun tot vertroosting van alle leed van het leven dient? … Zij noemen dat het “Laatste Oordeel’’, het aanbreken van hun rijk. … Deze zwakken – eens willen ook zij de sterken zijn”.

Het probleem bij Nietzsche is dat hij met zijn aanval op het christendom, dat hij verweet ressentiment om te smeden tot deugden, zelf allesbehalve vrij van ressentiment was. Iemand die dat probleem heeft opgepakt was Max Scheler, die in zijn boek “Het ressentiment en de moraal” heeft geprobeerd het belangrijke psychologische mechanisme dat Nietzsche formuleerde los te maken van diens persoonlijke achtergrond.[2]

Het is interessant te proberen een moreel oordeel te geven over Nietzsches theorie. Ongetwijfeld heeft hij bij het uitdenken hiervan gedacht aan uitspraken als die van de apostel Paulus in Romeinen 8:37: “Maar wij zegevieren in dit alles glansrijk dankzij Hem…”. Men kan dat egoïstisch of egocentrisch uitleggen, maar dan miskent men een oergegeven van de mens: het streven naar survival. Op biologisch niveau bezit de mens zijn oerbrein dat voortdurend bezig is zijn leven te voort te zetten en te verdedigen. En daar is niets mis mee. Maar dat geldt, zo kan men verdedigen, ook op geestelijk gebied. Er is niets op tegen als een mens probeert zinvol te leven, goed te doen en daarmee de hemel te verdienen (calvinistisch: de genade van de hemel te verkrijgen). Het wordt pas problematisch als in deze motivatie het aandeel zelfbehoud veel groter wordt dan het aandeel naastenliefde.


[1] Fr. Nietzsche (1887): Zur Genealogie der Moral. Eine Streitschrift.

[2] M. Scheler (1912): Das ressentiment im aufbau der Moralen.