Fysieke versus geestelijke strijd

De oude Griekse filosoof Heraclitus zei: “De oorlog is de vader van alle dingen”. Vermoedelijk heeft hij hierbij aan strijd in een zeer brede betekenis gedacht. Zo leidt oorlog tot nieuwe technische uitvindingen, maar ook tot literaire meesterwerken zoals de Ilias van Homerus. Volgens de filosoof Hegel is strijd ook de motor achter culturele vooruitgang: iedere these roept een antithese op en uit de strijd tussen these en antithese ontstaat een hogere synthese. En die vormt weer de these van een nieuwere, hogere cyclus. (simpel weergegeven).

Dat klinkt allemaal mooi, maar in de praktijk blijkt een mens een uiterst agressief wezen te zijn, voortdurend bezig zijn medemensen te bestrijden en, als het zo uitkomt, niet terug te deinzen voor martelen en moord. Konrad Lorenz schreef in zijn boek “Das sogenante Böse” dat agressie tussen individuen de functie heeft om ze gelijkmatig over de beschikbare ruimte te verspreiden, maar er is meer aan de hand. We zien bij opgroeiende kinderen dat ze eindeloos met elkaar aan het vechten en stoeien zijn en het is onverantwoord ze lang in de kinderkamer alleen te laten. Om dit te verklaren wordt tegenwoordig het brein (en de pyche) onderverdeeld in drie lagen: het reptielenbrein (mooier: oerbrein), het zoogdierenbrein en het menselijke brein. De agressie komt volgens deze theorie uit het oerbrein en uit het zoogdierenbrein. Bij het leren beheersen van die agressie speelt voor het menselijk brein (de neocortex) een rol.

Maar in het menselijk leven speel ook een verheven vorm van strijd een rol. De apostel Paulus schreef in Efeziërs 6: “Want wij hebben niet te worstelen tegen bloed en vlees, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers dezer duisternis”. De vraag rijst: hoe zit het met de relatie tussen deze verheven geestelijke strijd en onze ordinaire dagelijkse agressie, het de medemensen onderuit halen, pesten en het licht in de ogen niet gunnen? Er bestaan paradoxaal klinkende uitdrukkingen als “het leger des heils” en “strijden voor de vrede”. Zijn de hierin bedoelde goede vormen van strijd op de een of andere manier gebaseerd op diepere, boosaardige vormen van strijd? Vindt er een omzettingsproces plaats van kwaad naar goed? Of is het begrip strijd hier alleen maar een vreedzaam symbool geworden voor uiterste inspanning?

Er bestaan over de overgang van lichamelijke strijd naar geestelijke strijd twee belangrijke theorieën: die van de sublimatie van Freud en die van de “Umwertung” van Nietzsche.