12. Oorlog dwingt de mens tot activiteit

In de twee vorige afleveringen is betoogd dat oorlog vaak samenhangt met het strijden voor een ideaal waarvoor het waard is te sterven en als zodanig zin geeft aan het leven. Maar oorlog heeft nog een ander existentieel aspect: hij dwingt de mens tot activiteit. Natuurlijk zijn er ook andere zaken die een mens dwingend aanzetten tot activiteit, zoals werken voor het dagelijks brood en zorgen voor de kinderen. Maar als daarin is voorzien heeft de mens de neiging zich te gaan ontspannen en er zijn van gemak van te nemen. Bekend zijn de koloniale verhalen van westerlingen die in landen als Afrika arbeidskrachten zochten voor hun huishouden of voor hun ondernemingen en zich ergerden aan inlanders die slechts wilden werken totdat ze voldoende geld hadden verdiend om de eerstvolgende dagen door te komen.
XXX Maar moeder natuur houdt niet van rust, dat is niet goed voor de evolutie. Daarom worden primitieve mensen die nog in stamverband leven uit hun rust gejaagd door aanvallen van een naburige stam. Dan worden ze gedwongen zich verdedigen, anders worden ze gedood of tot slaaf gemaakt. Door een dergelijke aanval ontwaakt een grote activiteit: de stamhoofden moeten zich laten gelden, de wapens gecontroleerd, de strijd moet worden georganiseerd, ondergeschikten moeten worden afgeblaft.
XXX Ditzelfde geldt voor de veel gecompliceerder westerse samenleving. Hier geeft een oorlog allereerst een enorme politieke activiteit: volksmenners houden opruiende toespraken, andersdenkenden houden tegengestelde toespraken, dissidenten moeten worden opgepakt, de drukpersen maken overuren, de dichters schrijven weer vaderlandslievende poëzie, het publiek heeft weer stof om zich over op te winden in de cafés. Hierna moeten de legers worden gemobiliseerd. De tanks moeten weer rijden, de benzine moet worden aangevoerd, grote troepenbewegingen. Dit alles heeft een gunstige invloed op de economie. Als voorbeeld wordt vaak gewezen op de opkomst van Hitler in 1933, waardoor de werkloosheid in Duitsland daalde van 30% in 1933 tot 7% in 1936.
XXX De kosten van een oorlog zijn enorm. Dat leidt tot de vraag of het moreel gezien niet veel beter is het voor de oorlogsvoering uitgegeven geld te besteden aan een hoogstaander doel, bijvoorbeeld aan het bestrijden van armoede. Het probleem is echter dat de bevolking in dat geval niet de inspanning wil verrichten om het benodigde geld bij elkaar te brengen. Het ziet ernaar uit dat een dergelijke periode van economische stilstand het snelst beëindigd kan worden door een echte of een fictieve dreiging die de mensen met absolute noodzaak dwingt zich te verenigen tot een gezamenlijke inspanning (1). Een dergelijke dreiging kan een dreigende oorlog zijn, maar het zou ook iets anders kunnen zijn, bijvoorbeeld de absolute overtuiging dat de wereld ten onder gaat als er niet een mondiale, gezamenlijke inspanning wordt verricht om de CO2-uitstoot tot een minimum te beperken.

(1) De discussie hierover werd in 1967 sterk aangewakkerd door de publicatie van een mysterieus rapport met de titel “Report From Iron Mountain” (laatste uitgave 2008). In dit scherpzinnige, maar satirische en zogenaamd geheime en uitgelekte rapport worden als mogelijke alternatieven voor oorlog onder andere herinvoering van de slavernij, het verspreiden van berichten over aanvallen van aliens en het dreigen met rampzalige milieuvervuiling besproken. Pdf: http://www.stopthecrime.net/docs/Report_from_Iron_Mountain.pdf

11. Ook voor pacifisten geldt dat oorlog zin geeft aan hun leven

Nadat een oorlog is beëindigd wensen degenen die de verschrikkingen van die oorlog hebben meegemaakt of hebben gezien vaak een nieuwe politiek van duurzame vrede. Zo verschenen er na de godsdienstoorlogen mensen als Voltaire, die met ironie en sarcasme trachtten de wereld te ontsmetten van het religieuze fanatisme die deze oorlogen volgens hen had veroorzaakt. Tijdens en na de Eerste Wereldoorlog ontstond het christenpacifisme, met als voornaamste drijvende kracht de in 1915 in Engeland opgerichte organisatie ‘Fellowship of Reconciliation’. Na de Tweede Wereldoorlog hoorde men overal ‘Nooit meer oorlog!’ en vooral ‘Nooit meer Auschwitz!’.
XXXDeze afkeer van oorlog en dit streven naar vrede zal iedereen toejuichen, maar er is een probleem. Bij veel vredesactivisten en pacifisten gaat dit streven naar vrede namelijk zozeer hun leven beheersen dat het gevaar bestaat dat het in zekere zin averechts gaat werken. Dat geldt allereerst voor de religieuze pacifisten, de ‘geloofspacifisten’. Zij stellen hun leven in dienst van de bestrijding van de verschrikkingen van de oorlog en hebben zich voorgenomen om in een situatie van “jij of ik” (bijvoorbeeld aan het front) het gebod “Gij zult niet doden” niet te overtreden. Zij zijn bereid hiervoor het offer van hun leven te brengen en nemen een voorbeeld aan de christelijke martelaars. En zij hopen op dit existentiële moment God te zien, evenals Stefanus in het Bijbelboek Handelingen (7:56). Deze keuze bepaalt voor een groot deel de zin van hun leven. Anders gezegd: de zin van hun leven wordt een groot deel bepaald door het bestaan van oorlog.
XXXIets soortgelijks geldt voor spraakmakende verdedigers van het pacifisme, zoals in Nederland G.J. Heering, de auteur van het bekende boek ‘De zondeval van het christendom’ (1928), dat vijf edities beleefde (de laatste in 1981) en vertaald werd in het Duits, Engels, Deens, Frans en Amerikaans (1). Zijn gedachtegoed leeft (tot op zekere hoogte) voort in de organisatie ‘Kerk en Vrede’, die in 1924 werd opgericht. Maar hoezeer het schrijven van een dergelijk boek ook respect verdient, men kan er niet onderuit te constateren dat de auteur hierdoor bekend en (enigszins) onsterfelijk werd, net zoals de Homerische helden onsterfelijk werden door hun heldendaden op het slagveld. Wie zou G.J. Heering nog kennen zonder oorlog? Deze constatering is niet bedoeld als kritiek op deze integere en moedige theoloog, maar om de gecompliceerdheid van het probleem duidelijk te maken.
XXXEr is nog een heel andere reden waarom veel vredesactivisten oorlog nodig hebben of, om het voorzichtiger uit te drukken, psychisch gebonden zijn aan het verschijnsel oorlog. Dit kan het beste worden verduidelijkt door gebruik te maken van de theorie van Freud. Zoals bekend maakte deze onderscheid tussen de levensdrift en de doodsdrift en deze laatste drift manifesteert zich dan vooral als een ingeboren neiging tot strijd, vernietiging en destructie. Er valt veel kritiek op deze theorie te leveren, maar het blijft een merkwaardig verschijnsel dat iedereen vrede schijnt te willen en dat er desondanks steeds weer oorlogen uitbreken. Men kan dit trachten te verklaren door oorlogen te beschouwen als bedrijfsongevallen die worden veroorzaakt door het ongelukkig in elkaar grijpen van sociaalpsychologische of politieke mechanismen. Maar is die verklaring voldoende? Freud gaf een ‘dieptepsychologische’ verklaring. Hij maakte binnen de psyche onderscheid tussen drie ‘instanties’, het Ich, het Es (een reservoir van energie en libido) en het Über-Ich (het starre, reflexmatige gedeelte van het geweten). In het Es en het Über-Ich werken volgens hem zowel de levensdrift als de doodsdrift door. In verband met het pacifisme is speciaal Freuds theorie over de doorwerking van de doodsdrift in het Über-Ich van belang, want die geeft deze instantie een behoefte om te kwetsen en pijn te doen.
XXXFreuds theorie is hard en weinig vrolijk stemmend. Maar hij geeft wel een verklaring voor het telkens weer terugkeren van oorlogen: de mens wil oorlog want deze bevredigt zijn doodsdrift. Een soort honger naar oorlog. Deze theorie geeft ook een verklaring voor het verschijnsel dat zoveel mensen er plezier aan beleven heftig te keer te gaan tegen een vijand of tegen ‘het kwaad’. Volgens de theorie van Freud wordt hier de moraal in dienst gesteld van de doodsdrift. Dit verschijnsel valt ook waar te nemen in de kring van de pacifisten: lekker met heilige verontwaardiging te keer gaan tegen het grootkapitaal, tegen de wapenindustrie, tegen het fascisme dat de kop weer opsteekt, tegen de boze wereld, tegen de oorlog. Hier lijkt het pacifisme gebonden te zijn aan zijn tegenstander, de oorlog. Simplistisch gezegd: hier lijken veel pacifisten de strijd tegen oorlog nodig te hebben om hun agressie kwijt te raken. Maar op deze wijze komt men terecht in een vicieuze cirkel. Zou dat probleem oplosbaar zijn?

(1) G.J. Heering (1928): De zondeval van het christendom.

10. Oorlog geeft zin aan het leven

In de vorige aflevering is gewezen op het probleem dat een oorlog gewoonlijk door beide partijen wordt beschouwd als rechtvaardig en noodzakelijk. Maar het probleem gaat  nog dieper, beide partijen ervaren de oorlog namelijk niet alleen als rechtvaardig en noodzakelijk, maar voor beide partijen geeft de oorlog ook zin aan het leven. Zij menen dat hun oorlog in dienst staat van een ideaal dat het waard is om zich voor op te offeren. Als zij sterven aan het front wordt hun lichaam weliswaar vernietigd, maar hun ziel wordt opgenomen in de heerscharen van de talloos velen die hebben gestreden voor eeuwige waarden: de democratie, de vrijheid, de rechtsstaat, de eerlijke verdeling (communisme), het kweken van een zuiver ras (nazidom), het ware geloof (het christendom, de islam). Zij denken deel te nemen aan een  heilige oorlog. Sneuvelen voor de goede zaak maak onsterfelijk.
XXXHet idee om door de strijd onsterfelijk te worden is in de wereldliteratuur op velerlei wijzen beschreven en bezongen. In de Ilias bijvoorbeeld hoopten de Griekse helden op het slagveld niet zozeer de onsterfelijkheid te bereiken doordat ze aan de goede kant streden, als wel doordat ze daar door hun heldendaden eeuwige roem wisten te verwerven. De kenner van de Griekse cultuur H.D.F. Kitto schreef: ‘De Homerische Griek had een donker, schimmig bestaan in de Hades te wachten. De enige werkelijke hoop op onsterfelijkheid was, dat iemands roem in liederen zou voortleven’ (1). De oude Germanen tobden over het probleem dat Odin op het slagveld juist de heldhaftigste mannen liet omkomen en troostten zich met de gedachte dat hij het slagveld gebruikte om deze mannen te selecteren en te bewaren voor de Eindstrijd (2).
XXXOok staatslieden kunnen de onsterfelijkheid bereiken: ze kunnen dat bijvoorbeeld doen door een groot rijk te stichten: Farao Menes verenigde Opper- en Neder-Egypte, keizer Qin Shi Huangdi verenigde het Chinese rijk, Romeinse heersers verenigden stap voor stap het Romeinse vrederijk (de pax Romana), Bismarck verenigde Pruisen. Voor deze staatslieden zijn talloze standbeelden opgericht. Maar ook op omgekeerde wijze kan men de onsterfelijkheid bereiken: de (legendarische) held Wilhelm Tell vocht voor de vrijheid van Zwitserland, Willem van Oranje vocht voor de vrijheid van Nederland, George Washington werd de grote held van de Amerikaanse onafhankelijkheidsoorlog. Ook voor hén zijn overal standbeelden opgericht. Zoals een Chinese wijsgeer zei: “In bepaalde tijden wordt het Chinese rijk verenigd, in andere tijden valt het weer uit elkaar”.  Sommigen verwerven eeuwige roem door iets tot stand te brengen, anderen verwerven eeuwige roem door het weer af te breken. Het ziet er naar uit dat het meer gaat om de heldhaftigheid van de daden dan om datgene dat tot stand wordt gebracht of afgebroken.
XXXAl deze pathetische heldendaden en idealen geven zin aan het leven (3). Maar kort na een oorlog komt er vaak een periode waarin aan deze zin wordt getwijfeld.  De overlevenden tellen hun doden, aanschouwen hun in puin geschoten steden en spreken van de waanzin van dat alles. Ze roepen: “Nooit meer oorlog!” Maar langzamerhand worden de doden en de ellende weer vergeten en gaat het leven weer door: het berechten van de tegenstanders, de verzetshelden, de spannende verhalen, de geschiedschrijving, het oprichten van monumenten. En bovendien  de fascinatie voor bewapening en uitvindingen: de tanks, de vliegtuigen, de kruisers, de radar, de atoombom. En dan komt de Grote Literatuur, wat zouden Homerus en  Tolstoj moeten beginnen zonder oorlog? Het zijn niet de mensen die hun leven lang braaf hebben gearbeid voor hun geliefden en voor de opbouw van hun land die worden herinnerd en bezongen, maar degenen die zijn gesneuveld in een oorlog. Zelfs de onbekende soldaat wordt geëerd. Je moet je leven geven om onsterfelijkheid te verwerven. De oorlog dient om de dood te vergeten en is een van de motoren waardoor de wereld blijft draaien.

(1) H.D.F. Kitto (1958): The Greeks. Hoofdstuk III.
(2) Vries, J. de (1944), De goden der Germanen, p. 55, 150.
(3) Zie bijvoorbeeld:
– M. van Creveld (2008): The Culture of War.
– E. Kieft (2014): Oorlogsenthousiasme. Europa 1900-1918.
– A. Ladan (2015): Het verlangen naar oorlog & andere zaken.

 

9. Oorlog is vaak geen strijd tussen “goed” en “kwaad”, maar tussen twee verschillende vormen van “goed”

Een land dat oorlog voert tegen een ander land ervaart die oorlog subjectief vaak als een strijd van het goede tegen het kwade. Dit was bijvoorbeeld het geval in de tweede wereldoorlog, toen de geallieerden streden tegen de asmogendheden en deze zagen als in de greep van het absolute kwaad. Deze visie leek aan het eind van de oorlog nog bevestigd te worden door de ontdekking van de macabere vernietigingskampen. Een literair voorbeeld van een dergelijk rijk dat in de greep is gekomen van het absoluut kwade is het land Mordor in het boek “In de ban van de ring” van J.R.R. Tolkien. En een literair voorbeeld van hoe hetzelfde kan gebeuren bij een individueel mens is te vinden in de science-fiction roman “Reis naar Venus” van C.S. Lewis. Hierin strijdt de (goede) hoofdpersoon Ransom met de totaal slechte “niet-mens” Weston en de aanvankelijk geestelijke strijd mondt tenslotte uit in een puur lichamelijk gevecht:
XXX “De kracht om te haten, tevoren nimmer gevoeld zonder een gevoel van schuld, doortintelde Ransoms armen en benen. Wat voor hem stond scheen niet langer een schepsel met een verdorven wil te zijn. Het was het verderf zelf. Dit vervulde hem niet met afschuw, maar met een soort vreugde. Zijn armen schenen zich sneller te bewegen dan zijn gedachten. Zijn handen leerden hem verschrikkelijke dingen. Hij voelde de ribben van het schepsel breken, hij hoorde zijn kaakbeen kraken. Het gehele wezen scheen onder zijn slagen te knappen en te splijten.”
XXXBeide boeken werden geschreven tijdens de tweede wereldoorlog en waren geïnspireerd op de strijd tegen het nationaalsocialisme en het fascisme. Ze liggen in de sfeer van de mythe en stellen een dergelijke strijd voor als een strijd tegen het absolute kwaad. In werkelijkheid is het echter zeer de vraag of het absoluut kwade wel bestaat of wel ooit heeft bestaan. In iedere samenleving, hoe verdorven misschien ook, is wel wat goeds aanwezig. Er moet altijd een zekere mate van solidariteit aanwezig zijn en een zekere mate van zorg van de ouders voor de kinderen, anders zou die samenleving eenvoudig niet bestaan. Het absoluut kwade is een theoretische constructie. Maar in tijd van oorlog vallen wij graag terug op een dergelijke mythische voorstelling van zaken. In de hitte van de strijd maken wij onszelf wijs dat wij strijden tegen het absolute kwaad en de oorlogspropaganda is bedoeld om dat beeld te versterken. In werkelijkheid waren er zelfs in nazi-Duistland veel soldaten die, net als in andere oorlogen, slechts meenden te strijden voor het vaderland. Dit is vorm gegven door Lothar-Günther Buchheim in de roman “Das Boot” (1973), die de lotgevallen van de Duitse onderzeeër U-96 en zijn bemanning tijdens de tweede wereldoorlog beschrijft. Deze roman werd in 1981 verfilmd en werd een internationaal succes.
XXXHet probleem ligt echter nog gecompliceerder. Het is niet alleen zo dat een strijd tussen “goed” en “kwaad” niet bestaat, het is zelfs zo dat oorlogen zich vaak afspelen tussen twee verschillende vormen van “goed”. Vaak hebben beide partijen idealen die ze op de wereld willen realiseren en ervaren beide partijen hun oorlog subjectief als een strijd voor een rechtvaardige zaak. In de geschiedenis zijn vele voorbeelden van dergelijke oorlogen te vinden. Om een voorbeeld uit het zeer verre verleden aan te halen: de oorlogen die koning Hammoerabi omstreeks 1760 v. Chr. voerde ter uitbreiding van zijn Babylonische rijk. Hammoerabi was een groot wetgever en hij liet zijn wetten graveren in een granieten zuil, die nu nog te zien is in het Louvre in Parijs. Veel van deze wetten spreken ons tegenwoordig nog aan en men krijgt de stellige indruk dat zijn rijk een rijk was van recht en vrede. Niettemin voerde hij drie grote oorlogen en hij deed dit om dit rijk uit te breiden over de hele vruchtbare laagvlakte van de Eufraat en de Tigris en tevens ter ere van de god Mardoek van Babylon. Uiteraard kwam hij daarbij in conflict met weer andere rijken, die zichzelf ook in meerdere of mindere mate als vrederijken beschouwden.
XXXEen veel latere bloeiende cultuur was die van de Grieken. Deze beschouwden hun rijk niet zozeer als een vrederijk als wel een rijk van beschaving, kunst en intellect. Degenen die buiten dit rijk woonden beschouwden zij als barbaren. Om dit rijk van de beschaving te beschermen en uit te breiden moesten oorlogen worden gevoerd. Alexander de Grote was door zijn leermeester Aristoteles in deze geest opgevoed en hij beschouwde het als zijn taak de Griekse beschaving tot ver naar het oosten te verspreiden.
XXXEen uitgesproken rijk van recht en vrede was dat van de Romeinen. Volgens de overlevering werd Rome in 753 v.Chr. op een gunstige plaats aan de Tiber gesticht en in de daarop volgende eeuwen werd het bijbehorende gebied voortdurend uitgebreid. De Romeinen waren geweldige organisatoren en wetgevers. In 146 v.Chr werd Griekenland veroverd en in het begin van de eerste eeuw v. Chr. omsloot hun rijk de gehele Middellandse Zee. Omstreeks 55 v. Chr. voegde Caesar hier nog Gallië (Frankrijk) aan toe en hij wist na zijn zijn glorieuze intocht als overwinnaar in Rome de vrijwel absolute macht aan zich te trekken. Zijn aangenomen zoon Octavianus werd de eerste keizer van het Romeinse rijk en hierna volgden er twee eeuwen van vrede: de pax Romana. Het was echter wel een afgedwongen vrede. Dat merkten de joden die in opstand kwamen tegen de goddelijke verering van de keizer. In 70 na Chr. werd hun stad Jeruzalem met hun tempel volledig verwoest en ze werden naar alle kante verstrooid: de “diaspora”.
XXXDe eerste wereldoorlog had een heel ander karakter. Dit was een oorlog waarin de Fransen revanche wilden nemen voor de smadelijke nederlaag in de Frans-Duitse oorlog van 1870-71. Bovendien was er een darwinistisch element in het denken gekomen: de sterkste werd gezien als de beste en dit leidde tot een enorm gevoel van rivaliteit. De Fransen, Engelsen en Duitsers wilden nu wel eens uitvechten wie de sterkste was. Cultureel en ideologisch gezien verschilden de landen weinig van elkaar, er was geen sprake van “goed” tegen “kwaad”. Drie “goede” landen bestreden elkaar op leven en dood.
XXXDe tweede wereldoorlog was een oorlog tussen drie ideologieën: communisme, nationaalsocialisme-fascisme en die van de liberale wereld. Het communisme had de taak de wereld te bevrijden uit de greep van het Wall Street kapitalisme en een rechtvaardige communistische staat op te bouwen. Het nationaalsocialisme had het ideaal om het uit het verdrag van Versailles blijkende streven naar vernietiging van een zelfbewust Duits volk te weerstaan, te wreken en om te zetten in overwinning. En de liberale wereld was bezield door het ideaal de vrijheid en de democratie te verdedigen tegenover het kwaad van het communisme en het nationaalsocialisme.
XXXNa de tweede wereldoorlog ontstond tussen de twee overwinnaars de koude oorlog. Het was opnieuw een ideologische oorlog. Als men dit alles overziet rijst de vraag: hoe is het mogelijk dat in een oorlog de strijders van beide partijen er met zoveel gemoedsrust van overtuigd zijn dat hun eigen oorlog goed is en die van de tegenpartij kwaad? Beide partijen kunnen niet tegelijk gelijk hebben. Is hier niet sprake van een soort cognitieve dissonantie? En als dat zo is, hoe valt het dan te verklaren dat mensen met een dergelijke cognitieve dissonantie kunnen leven?

8. De (ongeoorloofde) beschuldiging “by association”

Een vorm van schuld die hier nog niet ter sprake is gekomen is de zogenaamde schuld door associatie (“guilt by association”). Dit is een schijnbare schuld die optreedt als iemand een misdaad heeft begaan en zijn schuld als het ware afstraalt op zijn familie en relaties. Die worden dan ook schuldig bevonden en/of gestraft, hoewel ze niet zelf aan de betreffende misdaad hebben deelgenomen. Simpele voorbeelden zijn: iemand beschuldigen een dief te zijn omdat hij veel met dieven omgaat en iemand beschuldigen conservatief te zijn omdat hij lid is van een kerkgenootschap dat over het algemeen wordt gezien als conservatief.
XXX Het is enigszins verwarrend dat de zinsnede “schuldig door associatie” sprekend lijkt op een zinsnede als bijvoorbeeld “schuldig door deelname aan een criminele organisatie”, maar een haast tegengestelde betekenis heeft. De zinsnede “hij is schuldig door associatie” betekent dat hij juist niét schuldig is. Terwijl de ene zinsnede thuishoort in de denkwereld van de aanklager, hoort de andere thuis in de denkwereld van de verdediger. De verdediger tracht de aanklacht te ontzenuwen door te stellen dat deze alleen maar berust op associatie en dus juridisch onhoudbaar is.
XXX Een andere bron van verwarring is dat men vaak spreekt van “schuld door associatie” terwijl men beter had kunnen spreken van “straf door associatie”. Zo komt het voor dat mensen worden “gestraft” terwijl tegelijkertijd wordt erkend dat ze geen schuld hebben. Een voorbeeld hiervan is dat tijdens de tweede wereldoorlog in Amerika veel Japanners werden geïnterneerd en dat ervoeren als een straf, terwijl men wist dat ze onschuldig waren. Het werd gedaan uit voorzorg. Een vergelijkbaar geval treedt op wanneer een leraar een hele klas laat achterblijven omdat een paar leerlingen achter zijn rug met propjes hebben geschoten. Zowel hij zelf als de leerlingen weten heel goed dat slechts enkele leerlingen schuldig zijn. Maar de leraar wil het effect te weeg brengen dat de leerlingen onderling druk op elkaar uitoefenen om geen propjes meer te schieten want dan moet de hele klas achterblijven.
De beschuldiging “by association” is niet alleen juridisch onhoudbaar, maar ook emotioneel zwaar beladen. De verdediging maakt daar soms gebruik van door een sfeer van verontwaardiging op te roepen. Een van de redenen voor die emotionele lading is dat dit soort beschuldiging behoort bij een primitief rechtsgevoel die door hoger ontwikkelde culturen nadrukkelijk wordt verworpen. Men ziet dat bijvoorbeeld in Ezechiël 18 (ca. 600 v.C): Hoe komt gij er toe [te zeggen]: de vaders hebben onrijpe druiven gegeten en de tanden der kinderen zijn slee geworden? [..] Een zoon zal niet mede de ongerechtigheid van zijn vader dragen, en een vader zal niet mede de ongerechtigheid van de zoon dragen” (1).
XXX Een andere reden van de emotioneel zware lading van het begrip beschuldiging “by association” is dat deze vaak wordt gebruikt bij het kenschetsen van de terreur van Stalin en Hitler. Zo schreef Hannah Arendt in haar studie over totalitaire regimes:
“Het was de bedoeling om de beschuldigde te isoleren van zijn vrienden en familieleden. Bij elke arrestatie dreigde de geheime politie immers de omgeving van de beklaagde mee te sleuren en te vernietigen. De psychologische impact was zo groot dat van zodra iemand aangeklaagd werd zijn vrienden zijn ergste vijanden werden en overgingen tot de meest waanzinnige beschuldigingen aan het adres van de beklaagde om hun eigen huid te redden en hun loyaliteit aan het regime te bewijzen” (2).
XXX Hoewel Hannah Ahrend de term zelf niet gebruikte wordt de door haar beschreven beschuldiging gezien als een geval van beschuldiging door associatie. Deze vorm van beschuldiging is in de praktijk vaak moeilijk te onderscheiden van twee andere vormen, namelijk iemand schuldig verklaren aan collectieve schuld en iemand beschuldigen van lidmaatschap van een criminele organisatie. Om hier duidelijkheid te krijgen kan het beste beginnen met van iedere vorm een ideaaltype te formuleren en pas in tweede instantie te gaan nadenken over de grensgevallen:
● Beschuldiging van collectieve schuld. Dit schuldbegrip wordt vooral gebruikt in morele, politieke en religieuze beschouwingen. Een bekend voorbeeld is als men alle (of een groot deel van de) Duitsers die voor of tijdens de tweede wereldoorlog leefden collectief schuldig acht aan de tweede wereldoorlog, ook als ze niet expliciet deel hebben genomen aan nazipraktijken. Het strafrecht kent geen collectieve aansprakelijkheid. Stel dat een aantal mensen een auto heeft omgegooid, dan is hier wel sprake van een collectieve daad, maar ieders schuld kan individueel worden vastgesteld.
● Beschuldiging van deelname aan een criminele organisatie. Een duidelijk voorbeeld hiervan is wanneer drie mannen een bank beroven, waarbij twee van hen werkelijk het bankgebouw binnengaan en de kluis kraken, terwijl de derde buiten in de auto op hen blijft wachten. Dit wordt gezien als deelname aan een (kortstondig bestaande) criminele organisatie.
● (Valse) beschuldiging door associatie. Een voorbeeld hiervan is wanneer een lid van een gezin vertrekt naar het Midden-Oosten om daar deel te nemen aan de jihad en de andere leden van het gezin daar op worden aangekeken.
XXX Een probleem bij deze drie vormen van schuld is dat ze zoveel grensgevallen hebben. Een ander probleem is de vraag of men het iemand kwalijk kan nemen als hij niet expliciet afstand heeft genomen van de betreffende criminele handelingen. Kan men het een islamiet kwalijk nemen als hij niet in het openbaar kenbaar maakt dat hij terroristisch geweld afkeurt? Als hij, bijvoorbeeld door zijn functie, gedwongen wordt een standpunt in te nemen moet hij natuurlijk een verantwoorde keuze maken. Maar als hem niets wordt gevraagd? Is hij dan schuldig?

(1) http://www.grooteuropa.nl/b/historische-opvattingen-over-individuele-en-collectieve-schuld.html
(2) Hannah Ahrendt (1951): The origins of totaliarianism. Nederlandse vertaling: Totalitarisme, 2005.

7. Schuld door deelname aan een criminele organisatie

Het komt vaak voor dat iemand kennelijk heeft meegedaan aan bepaalde groepsgewijze uitgevoerde criminele handelingen, maar dat het toch niet lukt hem daarvoor verantwoordelijk te stellen doordat hij er zich op beroept niet zelf zulke handelingen te hebben verricht. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer hij lid is van een motorclub die ergens gewelddadig heeft opgetreden terwijl hij daarbij toch aantoonbaar in de voorste gelederen aanwezig is geweest. Wanneer de aanklager nu met bijvoorbeeld camerabeelden kan bewijzen dat hij inderdaad zelf gewelddadige handelingen heeft verricht is de zaak duidelijk, maar vaak  ontbreken dergelijke bewijzen. Om dergelijk ongrijpbaar crimineel gedrag toch te kunnen bestraffen heeft de wetgever het begrip “deelnemen aan een criminele organisatie” ingevoerd (wetboek van strafrecht artikel 140). Met behulp van dit begrip kunnen individuele personen die in groepsverband criminele handelingen hebben verricht soms toch worden bestraft doordat men ze nu ten laste kan leggen dat ze een strafbare handeling hebben verricht door lid te worden van een dergelijke organisatie.
XXXHiermee kan een beperkt deel van dit soort criminele daden worden aangepakt. Maar ook voor dit deel blijven er nog problemen. In de eerste plaats is het moeilijk voor iemand die lid wil worden van een bepaalde club om te bepalen of dit een criminele organisatie is. Hij zou dan artikel 140 van het wetboek van strafrecht kunnen gaan raadplegen. Dit artikel geeft voor het vaststellen of iemand deel neemt aan een criminele organisatie drie criteria, namelijk de deelneming, het oogmerk van de organisatie en de mate van georganiseerdheid. Maar het is in de praktijk vaak moeilijk om op grond van deze drie criteria tot een besluit te komen. Stel iemand wil bijvoorbeeld lid worden van een fotoclub en hij ontdekt langzamerhand dat veel leden daarvan in de drugshandel zitten. Of hij ontdekt dat het bestuur daarvan in de drugshandel zit en de fotoclub hoofdzakelijk gebruikt als dekmantel. Maar hij ziet ook dat veel leden in de club alleen maar hun hobby fotografie willen uitleven en niets met drugs te maken hebben. Wat moet hij doen? Is dit een criminele organisatie? Er lijkt hier een groot gebied van grensgevallen te bestaan.
XXXEen tweede probleem is dat iemand lid kan zijn van een club zonder dat hij daar bewust voor heeft gekozen. Zo kan iemand geboren zijn in een  maffiafamilie. Moet hij dan met zijn hele familie ruzie gaan maken? Of stel dat een Nederlands moslimgezin bestaat uit een vader, een moeder en drie broers en dat zowel de vader als twee van de drie broers zijn vertrokken naar het Midden-Oosten om daar deel te nemen aan de “’vrijheidsstrijd”. Kan men dan de thuisgebleven broer verwijten lid te zijn van een criminele of terroristische organisatie? En meer in het algemeen: kan men Nederlandse moslims die niet hard genoeg protesteren tegen het door moslims in het Midden-Oosten gepleegde geweld verwijten lid te zijn van een gewelddadige organisatie? Kan men een religie bestempelen tot een criminele organisatie? Of een heel volk, bijvoorbeeld de Duitsers tijdens de tweede wereldoorlog? Het blijft een kwestie van argumenten tegen elkaar afwegen en dat is erg modegevoelig. De openbare mening en het rechtsgevoel kunnen snel veranderen. En op iedere moment kan de regering of de openbare mening besluiten dat het geen vrede meer is maar oorlog en dat nu niet meer de wetten die gelden in vredestijd toegepast moeten worden, maar de wetten die gelden in oorlogstijd. Zo werden in Amerika tijdens de tweede wereldoorlog veel daar woonachtige Japanners geïnterneerd. Dat was uiteraard “voor de zekerheid”, maar zij hadden niets misdaan.

6. Wanneer kun je spreken van collectieve schuld?

Er is sinds de tweede wereldoorlog telkens weer heftige discussie gevoerd over de vraag in hoeverre de Duitsers collectief schuldig zijn geweest aan deze oorlog. Een van de laatste geruchtmakende bijdragen aan deze discussie was het boek “Hitler’s Willing Executioners” (1996) van Daniel Goldhagen.
XXXDe heftigheid van deze discussie werd uiteraard in de eerste plaats veroorzaakt door verschil van mening over de weergave en de interpretatie van de historische gebeurtenissen. Maar hij werd ook veroorzaakt door de verwarring tengevolge van inconsistent gebruik van de begrippen collectieve schuld en individuele schuld.  Om deze verwarring te vermijden is het nodig beide begrippen duidelijk te definiëren en een belangrijk gegeven hierbij is dat er alleen sprake kan zijn van collectieve schuld als die kan worden teruggevoerd op een collectieve daad. Wanneer bijvoorbeeld twee personen onafhankelijk van elkaar ieder een fiets stelen hebben ze beide individuele schuld. Maar wanneer ze samen een bank beroven hebben ze samen collectieve schuld, want hun schuld kan worden teruggevoerd op een collectieve daad. Deze redenering geldt ook wanneer de misdaad of misdaden zijn uitgevoerd door een groot aantal mensen, zo geldt dat de bewoners van een gevangenis wel allemaal schuldig zijn, maar deze schuld is individueel en niet collectief, hij is niet terug te voeren op een collectieve daad.
XXXHet is ook nodig om onderscheid te maken tussen de schuld van personen en de schuld van landen. Wanneer men spreekt van de schuld van een land (bijvoorbeeld Duitsland of Frankrijk) beschouwt men dat land als een eenheid waarvan de eigenschappen enigszins overeenkomen met die van een persoon. Deze manier van spreken is terug te vinden in de tekst van het verdrag van Versailles, waarin wordt gesteld dat “Duitsland en zijn bondgenoten” de verantwoordelijkheid droegen voor de eerste wereldoorlog. Hier worden Duitsland en zijn bondgenoten dus voorgesteld als personen.
XXXMaar evenals personen kunnen landen zowel een “individuele” als een collectieve schuld hebben. Wanneer bijvoorbeeld land A onterecht en verraderlijk land B binnenvalt heeft land A individuele schuld. Wanneer echter de landen A en B gezamenlijk onterecht en verraderlijk land C binnenvallen hebben zij samen collectieve schuld (zie de toelichting De definitie van individuele en collectieve schuld).
XXXDaarnaast is er nog een ander geval waarin de landen A en B collectieve schuld kunnen hebben en dat verdient hier aparte aandacht. Dat is het in de vorige afleveringen reeds herhaaldelijk ter sprake gekomen geval waarin landen via een door wisselwerking ontstaan escalatieproces met elkaar in oorlog raken. In het privaatrecht (het recht voor personen) lijkt een dergelijk geval van collectieve schuld wel erkend te worden. Stel bijvoorbeeld dat twee aangeschoten mannen aan de bar van een café zitten en dat de een per ongeluk het glas van de ander omstoot. Stel verder dat die ander hierdoor kwaad wordt en dat er vervolgens door escalatie een vechtpartij ontstaat waarbij de inrichting van het café wordt vernield. Wie is dan de schuldige en wie moet de schadevergoeding betalen? Het is welhaast zeker dat de rechter hier van geen van beide partijen het bekende excuus “hij is begonnen” zal honoreren en dat hij zal oordelen dat beide partijen schuldig zijn en samen de aangerichte schade moeten vergoeden. De laatste tientallen jaren zijn er in het privaatrecht pogingen gedaan om nog beter grip te krijgen op een dergelijke collectieve schuld. Bijvoorbeeld bij het proces dat gevoerd werd naar aanleiding van het door een aantal (elkaar ophitsende) personen gezamenlijk doodschoppen van een grensrechter in Almere in december 2013. Het oordeel van de rechter was hierbij dat alle verdachten even schuldig waren aan de ontstane “explosie van geweld”.
XXXMaar hoewel men in het privaatrecht tracht beter grip te krijgen op collectieve schuld bestaat er in het volkenrecht geen parallelle ontwikkeling, en dat ondanks het feit dat daar de zaken vaak veel duidelijker liggen en de precieze gang van zaken door de beschikbare documentatie veel gemakkelijker te achterhalen. Wanneer men zich afvraagt wat de reden hiervan is kan men moeilijk anders dan concluderen dat deze het gevolg is van de macht van de overwinnaar, een macht die zich vooral na de eerste en tweede wereldoorlog heeft doen gelden. Want wanneer genoemde gedachtegang vanuit het privaatrecht zou doordringen in het volkenrecht zou een proces zoals dat bij het tribunaal van Neurenberg werd gevoerd niet meer mogelijk zijn en zou dit bij wijze van spreken met terugwerkende kracht ongeldig moeten worden verklaard. Bij dit proces werden immers alle verwijzingen naar het verdrag van Versailles bij voorbaat uitgesloten, waardoor redeneringen die gebruik maken van het begrip wisselwerking niet konden worden gebruikt. Verder zou bij een doordringen van deze privaatrechtelijke gedachtegang in het volkenrecht in de toekomst een na afloop van een oorlog ingesteld tribunaal in veel gevallen tot de conclusie komen dat de overwinnaar mede schuldig was. Dat is voor de grootmachten in de huidige wereld geen prettig vooruitzicht en zij zullen een dergelijke ontwikkeling dan ook trachten te verhinderen. Maar hiermee laat men de misschien belangrijkste oorzaak van het ontstaan van oorlogen voortbestaan, namelijk, kort gezegd, de gedachte dat doden geoorloofd is mits de andere partij is begonnen. Deze gedachte is niet alleen moreel gezien uiterst primitief, maar hij leidt ook tot voortdurende geschiedvervalsing. Op deze wijze zal de wereld nooit vrede bereiken.
Zie de bijlage Historische opvattingen over individuele en collectieve schuld

5. De schuldvraag bij een keten van uit elkaar voortkomende oorlogen

Wanneer twee jongens hebben gevochten verontschuldigen ze zich later vaak met: “Maar hij is begonnen!”. Hiermee sluiten ze zich intuïtief aan bij de oeroude zwartwit-regel die stelt dat degene die is begonnen de morele schuld heeft aan het gevecht en dat de ander, die slechts zou hebben gereageerd, vrijuit gaat. Maar het probleem is dat degene die is begonnen gewoonlijk niet het uiteindelijke gevecht voor ogen had. Hij is waarschijnlijk begonnen met een grapje of een onschuldig plagerijtje en van daar uit ontstond door escalatie de vechtpartij.
XXXHetzelfde geldt voor een grote-mensen-gevecht, voor oorlog. Ook daar is de zwartwit-regel die stelt dat degene die is begonnen de schuldige is maar zelden toepasbaar. Als we kijken naar het begin van een oorlog zien we dat deze zich bijna altijd vanuit een heel kleine oorzaak door escalatie heeft ontwikkelt en daarbij is het niet mogelijk om één schuldige aan te wijzen. Als we kijken naar een al lang in gang zijnde oorlog zien we een keten van ongeveer even wrede wederzijdse vergeldingsdaden, terwijl de oorspronkelijke oorzaak in een ver verleden vrijwel vergeten is.  Ook hier is het niet mogelijk één schuldige aan te wijzen. Als men aanneemt dat de mens hier onontkoombaar is onderworpen aan een sociaalpsychologisch mechanisme moet men concluderen dat hier geen van beide partijen schuldig zijn. Maar als men aanneemt dat de mens de vrijheid heeft zich aan degelijke mechanismen te onttrekken moet men concluderen dat beide partijen schuldig zijn.
XXXMaar als beide partijen schuldig zijn moet er zoiets als collectieve schuld bestaan, dus een gezamenlijke schuld van alle betrokken partijen. In het geval van de tweede wereldoorlog bijvoorbeeld zijn dat Duitsland en de geallieerde landen samen. Bij een nadere doordenking van het begrip collectieve schuld blijkt het echter allesbehalve eenvoudig te formuleren wat daar onder moet worden verstaan. Hoe moet deze over de betrokken landen worden verdeeld? En als een land medeschuldig is, hoe moet die schuld dan binnen dat land worden verdeeld? Hebben de leiders de schuld? Maar de leiders zijn gewoonlijk gekozen door het volk. Heeft het volk dan de schuld? Of hebben de soldaten die aan het front hun dienstplicht vervullen de schuld? Zij zijn het toch die uiteindelijk de trekker overhalen of de bommen afwerpen?
XXXLaten we eens kijken hoe men bij het tribunaal in Neurenberg, dat na afloop van de tweede wereldoorlog door de geallieerden werd ingesteld, met deze vragen is omgegaan. Eerst enkele feiten. Na de overwinning en de bezetting van Duitsland werd een groot deel van de nazi’s door de geallieerden gearresteerd en in kampen geïnterneerd: in de westelijke zones 178 000 personen en in de oostelijke zone 75 000. Voor de leidinggevenden werd in Neurenberg het Internationaal Militair Tribunaal ingesteld. Dat was werkzaam van november 1945 tot oktober 1946 en hier werden de vierentwintig belangrijkste nazi-leiders berecht. Hitler, Goebbels en Himmler hadden reeds zelfmoord gepleegd, Bormann was bij een vluchtpoging omgekomen. De aangeklaagden werden beschuldigd van drie groepen misdaden: (1) tegen de vrede, (2) tegen oorlogsgebruik en oorlogsrecht en (3) tegen de menselijkheid. Twaalf van de aangeklaagden werden ter dood veroordeeld.
XXXIn hoeverre is er bij dit tribunaal sprake geweest van “overwinnaars-rechtsspraak”? Ten aanzien van dit probleem kan men verschillende kritische vragen stellen. In de eerste plaats kan men vragen of bij de beoordeling van de oorlogshandelingen van de Duitsers en van de geallieerden wel dezelfde maatstaven werden aangelegd. Dit was echter niet het geval, want de Duitse bombardementen op de burgerbevolking werd wèl veroordeeld, maar  die van de geallieerden niet. Verder werden wèl de V1 en de V2 veroordeeld als ontoelaatbare wapens, maar niet de atoombom. In de tweede plaats kan men vragen of men bij dit proces niet te ver afweek van het oude rechtsbeginsel dat er geen straf mag worden gegeven zonder vooraf gekend rechtsvoorschrift (dit beginsel is ook terug te vinden in artikel 8 van de Verklaring van de Rechten van de Mens van 1789). Er bestond immers geen algemeen aanvaarde internationale rechtsorde en daarom moest men zijn toevlucht nemen tot een beroep op begrippen als “menselijkheid” en “mensheidsgeweten”.
XXXMaar de hier belangrijkste vraag is de volgende. Aan het begin van het proces werd door het tribunaal eenzijdig de beslissing genomen om bij de beoordeling van de gebeurtenissen het verdrag van Versailles (en alles wat daaraan vooraf ging) buiten beschouwing te laten. Dit was in zekere zin een verstandige beslissing, want hiermee werden oeverloze en uitzichtloze discussies over dit verdrag vermeden. Maar tegelijkertijd kan men zich afvragen: was het nemen van deze beslissing niet gebaseerd op de macht van de overwinnaar? Deze bleef hiermee immers zèlf buiten schot! Ter verdediging van deze beslissing wordt vaak aangevoerd dat men een misdaad altijd op zichzelf moet beschouwen, onafhankelijk van andere misdaden. Wanneer bijvoorbeeld een dief wordt gepakt en gestraft kan die zich niet beroepen op het feit dat andere dieven niet worden gepakt en vrijuit gaan. Dit principe geldt ook voor misdaden die een keten vormen, iemand die bijvoorbeeld een fiets steelt kan zich niet verdedigen met de redenering dat hij dit deed omdat zijn eigen fiets was gestolen.  In deze gevallen berusten de misdaden op een vrije keuze en hoe moeilijk het in een bepaalde situatie misschien ook mag zijn, men heeft daarbij toch de mogelijkheid om niet mee te doen en daarmee de keten te doorbreken.
XXXMaar het is zeer de vraag of het principe dat men iedere misdaad op zichzelf moet beschouwen in het geval van Neurenberg van toepassing was. Er zijn twee bezwaren. In de eerste plaats wat men het principe van gelijke behandeling zou kunnen noemen. Zowel de Duitsers als de geallieerden hadden verschrikkelijke bombardementen op burgerbevolking uitgevoerd (Hamburg, Dresden, Hiroshima). Wanneer men de ene partij bestraft voor dergelijke daden kan men de andere niet vrijuit laten gaan.
XXXHet tweede bezwaar is dat de rechtsprekende partij hier zèlf betrokken was in de keten van wederzijdse vergeldingsoorlogen. De partij die wraak had genomen bij het verdrag van Versailles beschuldigde hier de andere partij een vergeldingsoorlog te zijn begonnen. De ene fietsendief veroordeelde de andere fietsendief met het argument dat men iedere misdaad op zichzelf moet bekijken. Als men bij het proces in Neurenberg een onafhankelijk derde partij had aangewezen om een objectief oordeel te vellen was deze vrijwel zeker tot het oordeel gekomen dat zowel de Duitsers als de geallieerden schuldig waren aan het voeren van een reeks vernietigende vergeldingsoorlogen.
XXXHet proces van Neurenberg was onbevredigend. Maar had het anders gekund? Het benoemen van een onafhankelijke derde partij was historisch niet mogelijk. Had men dan géén proces moeten voeren? Ondanks alle bezwaren heeft het proces gewerkt als een catharsis. Het heeft bijgedragen aan de gedachte dat de oorlog voorbij was, dat de ergste misdadigers waren gestraft en dat men nu met een zo goed mogelijk schoon gemaakte lei opnieuw moest beginnen.
XXXMaar tegelijkertijd kan men zich afvragen of het tribunaal voor de toekomst wel zo gunstig heeft gewerkt. Het heeft een aanvechtbaar en ook gevaarlijk precedent geschapen: in de toekomst zou ieder overeenkomstig, door de overwinnaars ingesteld tribunaal, zich beroepend op het prestigieuze proces van Neurenberg, zijn beschrijving van de voorafgaande keten van historische gebeurtenissen op een voor hen gunstig moment kunnen laten beginnen.

4. De keten van grote Europese oorlogen

Vrijwel alle historici zijn het er over eens dat de oorzaak van de tweede wereldoorlog voor een groot deel is gelegen in de afloop van de eerste wereldoorlog. Deze afloop liet de Duitsers achter met twee in principe verschillende gevoelens: in de eerste plaats een gevoel van te zijner tijd revanche te moeten nemen voor de verloren oorlog en in de tweede plaats een verlangen naar vergelding voor het als onrechtvaardig ervaren verdrag van Versailles. Beide gevoelens/motivaties versterkten elkaar en bevorderden de opkomst van Hitler en zijn ideologie.
XXXMaar als het ontstaan van de tweede wereldoorlog verklaard kan worden uit de eerste wereldoorlog, wat was dan de oorzaak van de eerste wereldoorlog? Bij nader historisch onderzoek blijken dezelfde twee motivaties ook hier een doorslaggevende rol te hebben gespeeld, namelijk het verlangen naar revanche en het verlangen naar vergelding die waren achtergebleven na afloop van de Frans-Pruisische oorlog van 1880-81. Maar wat was op zijn beurt de oorzaak van de Frans-Pruisische oorlog? Zo kunnen we ons onderzoek voortzetten en steeds verder teruggaan in de geschiedenis van Europa. Iedere oorlog blijkt voor een groot deel te zijn uitgelokt door een vorige oorlog, kennelijk vormen deze oorlogen een keten van revanche- en vergeldingsacties. Maar hoe ver moeten we hierbij teruggaan? Wanneer is deze keten begonnen? De keuze van een beginpunt is moeilijk en bovendien nogal willekeurig. Een probleem is ook dat deze keuze keuze vrijwel automatisch impliceert dat men de partij waarmee men de beschrijving begint beschouwt als de partij die is begonnen, dus als de “schuldige”.
XXXMaar we moeten èrgens beginnen. Laten we beginnen bij het absolutistische regime van de Franse koning Lodewijk XIV, dat duurde van 1643 tot 1715. Dit regime kwam niet uit de lucht vallen, het was de politieke manifestatie van het in de tweede helft van de 16e eeuw steeds sterker wordende streven een einde te maken aan het onzekere levensgevoel en het gebrek aan orde van de late renaissanceperiode (dit streven is bijvoorbeeld terug te vinden in het concilie van Trente dat duurde van 1545 tot 1563 en later in Descartes’ zoeken naar “regels” en de oprichting van de Académie Francaise met zijn streven naar formalisering). Lodewijk XIV voerde hevige oorlogen met Engeland en Nederland, dat toen onder leiding stond van stadhouder Willem III, die in 1688 ook koning van Engeland werd. Maar de belangrijkste tegenstand tegen zijn absolutistische regime ontstond pas na zijn dood in zijn eigen land, namelijk door verlichtingsdenkbeelden van de opkomende burgerij (Montesquieu, Voltaire, de Encyclopédie, enzovoort). Dit liep uit op de gewelddadige Franse revolutie van 1789 en in het verlengde daarvan de Napoleontische oorlogen van 1792 tot 1815. De Duitsers hielden zeer bittere herinneringen over aan deze oorlogen en de vernederende bezetting van hun land en hun verlangen om “voor altijd een einde te maken aan de Franse agressie” droeg sterk bij aan de Frans-Pruisische oorlog van 1870-71. Dit was op zichzelf geen grote oorlog, maar hij gaf wel een enorme knauw aan de Franse nationale trots. Vooral de snelle en moeiteloze bezetting van Parijs door de legers van Bismarck werd als krenkend ervaren en de bij oorlogsveteranen als Clemenceau ontstane gevoelens van revanche droegen sterk bij aan het ontstaan van de eerste wereldoorlog. Een belangrijke factor was ook het bij de Fransen al of niet terecht rondgaande gerucht van de Pruisische wreedheid, die bestraft en vergolden moest worden. Bij het verdrag van Versailles in 1919 wilde men “voor altijd een einde maken aan de Duitse agressie” en, zoals reeds opgemerkt, droegen de door dit verdrag bij de Duitsers ontstane gevoelens van revanche en vergelding weer sterk bij aan het ontstaan van de tweede wereldoorlog in 1939.
XXXKort samengevat krijgen we dus de volgende keten van elkaar oproepende grote Europese oorlogen:
(1) het absolutistisch regime van Lodewijk XIV (1643-1715)  →  (2) de Franse revolutie en de Napoleontische oorlogen (1789, 1792-1815)  →  (3) de Frans-Pruisische oorlog (1880-81)  →  (4) de eerste wereldoorlog (1914-18)  →  (5) de tweede wereldoorlog (1939-1945).

3. Spontaan ontstaande oorlogen en oorlogen als schakel in een keten

Er zijn in oorlogen vaste patronen te vinden en aan de hand daarvan worden ze gewoonlijk verdeeld in typen. De twee bekendste typen zijn waarschijnlijk wel de aanvalsoorlog en de verdedigingsoorlog. Een aanvalsoorlog kan men definiëren als een oorlog die begonnen wordt door één partij, terwijl de andere partij geheel onschuldig is aan de oorlog. Een verdedigingsoorlog kan men definiëren als een oorlog die zuiver een reactie is op een aanval van de andere partij en waaraan de verdedigende partij dus geheel onschuldig is.
XXXMaar hoewel de aanvalsoorlog en verdedigingsoorlog in theorie gemakkelijk zijn te onderscheiden en te definiëren is het toch moeilijk hiervan zuivere voorbeelden te vinden. Een soms aangehaald voorbeeld van een aanvalsoorlog vormen de campagnes waarmee de Romeinse keizer Caesar van 58 tot 53 v.C. Gallië veroverde. Maar als men hier over verder gaat nadenken blijkt ook hier de zaak niet zo eenvoudig te liggen als hij op het eerste gezicht lijkt, want Gallische en Germaanse stammen hadden telkens de grenzen van het Romeinse rijk bedreigd en men kan de oorlog van Caesar ook zien als een uitval ter verdediging van de veiligheid van het Romeinse rijk tegenover het buitenland. Dan zou het eigenlijk toch een verdedigingsoorlog zijn. Ook van de verdedigingsoorlog is het niet gemakkelijk zuivere voorbeelden te vinden, want heel vaak heeft een land dat wordt aangevallen daaraan voorafgaand toch wel provocerend opgetreden. Misschien is de verdediging van het Inca-rijk en het rijk van de Azteken tegen de binnenvallende Spanjaarden wel een zuiver voorbeeld, want de komst van Columbus was “toevallig” en op geen enkele manier uitgelokt door door vroegere agressieve daden van deze rijken.
XXXVoor mensen die geïnteresseerd zijn in de oorzaken van oorlogen (en daarmee samenhangend natuurlijk ook in de schuldvraag) zijn echter ook twee andere typen oorlog van groot belang. Men zou die de “spontaan ontstaande oorlog” en de “oorlog-als-schakel-in-een-keten” zou kunnen noemen. Een spontaan ontstaande oorlog ontstaat als het ware uit het niets. Hij begint met een heel kleine, onschuldige gebeurtenis en groeit daarna door escalatie uit tot een oorlog. Men kan dus niemand aanwijzen die de oorlog begonnen is en men kan dus ook geen “schuldige” aanwijzen. Een dergelijke oorlog is een geliefd thema bij treurspeldichters, niet alleen in het oude Griekenland, maar ook in andere culturen. Een beroemd Arabisch voorbeeld is de Basous-oorlog, die uitgevochten werd tussen de stam van Taglib en de stam van Bakr omstreeks 494-534, dus in de pre-islamitische periode. Deze oorlog begon hiermee dat de hoofdman Koelayb tijdens een wandeling door zijn gebied een leeuwerik zag die angstig fladderde boven haar nest met eieren. Koelayb stelde haar gerust met de woorden: “Wees niet bang, ik zal je beschermen”. Toen hij echter de volgende dag bij het nest terugkwam zag hij dat dit vertrapt was door een kameel en hij vermoedde dat die behoorde tot de kudde van zijn zwager Djassas. Hierop bedreigde hij Djassas: “Pas op, zorg dat die kameel hier nooit meer terugkomt!” Dit deed Djassas in woede ontsteken: “Bij God, zij zal hier terugkomen!” Hierop dreigde Koelayb: “Als zij hier terugkomt zal ik haar met een pijl door de uier schieten!”. En hierop dreigde Djassas: ”Dan zal ik mijn lans in jouw rug werpen!”
XXXNiet lang na deze verhitte woordenwisseling gebeurde het dat een kameel van Djassas toevallig losbrak, waarna Koelayb haar met een pijl door de uier schoot, waarna Djassas Koelayb doodde. Deze gebeurtenissen vormden de aanleiding van de 40 jaar durende oorlog tussen de stammen van Taglib en van Bakr, met eindeloze wederzijdse wraakacties, die doorging tot beide partijen volledig waren uitgeput en die naar men zegt 70 000 doden kostte. Deze oorlog is in de Arabische wereld het symbool geworden van de eindeloze stammenoorlogen die woedden voordat de komst van de islam daaraan een einde maakte (1).
XXXHet tweede type oorlog dat hier de aandacht verdient is de oorlog die een nieuwe schakel is in een vaak reeds lang in gang zijnde keten van elkaar uitlokkende oorlogen. Hierbij maakt het geen verschil hoe deze keten is begonnen: hij kan door het escalatiemechanisme uit het niets zijn ontstaan, maar hij kan ook begonnen zijn met een aanvalsoorlog. Wanneer we de gang van zaken bij het eerste geval samenvatten krijgen we dus het volgende:
De keten begint vrijwel onzichtbaar met een onbeduidende gebeurtenis die een reactie oproept die nog geen vergeldingskarakter hoeft te hebben. Deze roept vervolgens weer een tegenreactie op en zo ontstaat een keten van wederzijdse reacties met een aangroeiend vergeldingskarakter. Deze nemen in heftigheid toe totdat alle zelfbeperking is weggevallen en beide partijen trachten zo hard mogelijk “terug te slaan”. Na verloop van tijd is men het begin van de keten vergeten en let ieder van beide partijen alleen nog op de laatste handeling van de tegenpartij. In dit stadium beweren beide partijen dat de tegenpartij is begonnen en dat de eigen reactie niet meer is dan een gerechtvaardigde reactie op ondervonden agressie.

(1) L.O. Schuman (1960): De Arabieren, Cultuurgeschiedenis van de Arabische wereld, p. 46.