De situatie van “jij of ik” aan het front

Vaak wordt aan pacifisten de vraag gesteld: Als je aan het front oog in oog komt met een vijandelijke soldaat en je moest kiezen “Jij of ik”, wat zou je dan doen?

Dat is een moeilijke vraag. Vroeger, toen er nog dienstplicht bestond, moest een dienstweigeraar voor een commissie verschijnen die moest onderzoeken hoe serieus zijn bedoelingen waren en dan werd hem onder andere déze vraag gesteld. Dat was niet bepaald sportief, want een circa 18-jarige rekruut kan onmogelijk het raffinement van deze vraag doorzien. Het is dan ook een strikvraag, onder andere doordat hij behoort tot de categorie vragen die niet met “ja” of “nee” of een andere korte reactie zijn te beantwoorden. Hij kan alleen maar beantwoord worden met een ingewikkeld betoog dat onder andere ingaat op de logica en de intentie van de vragensteller. En daarvoor was voor de commissie, in dienst van de staat, geen ruimte. Het doel was dan ook om de dienstweigeraar met de mond vol tanden te laten staan.

In feite is deze vraag een afleidingsmanoeuvre. Hij wordt sluipenderwijs voorgesteld als betrekking hebbend op de kern van het pacifisme, maar hij heeft dat totaal niet. De kern van het probleem waarvoor pacifisten worden gesteld is dat een soldaat door de regering van zijn land in een onmogelijke positie wordt geplaatst. Hij zal onder enorme pressie worden gedwongen òf te doden òf zelf gedood te worden. En als hij daar bezwaar tegen maakt zoekt de staat de fout niet bij zichzelf maar bij de soldaat. De staat zal nóóit toegeven te kort geschoten te zijn in zijn taak om op een normale, vreedzame wijze om te gaan met andere staten zodat er oorlog is ontstaan. En de staat zal áltijd zichzelf als fatsoenlijk (“democratisch”, etc.) beschouwen en de andere staten als boosaardig. Dat doen alle staten op de wereld. Het is een absurde situatie met een enorme cognitieve dissonantie. Vergelijkbaar met automobilisten die er allemaal van overtuigd zijn beter te rijden dan anderen.

14 juni 2022