Twaalf oorlogsmechanismen

Onze geschiedenisboeken en romans worden voor een groot deel gevuld met beschrijvingen van oorlogen. Veel historici en literatoren hebben dan ook een schat van gegevens in hun hoofd over hoe oorlogen ontstaan, hoe ze verlopen, welke trucs worden toegepast, enzovoort. Toch hebben maar weini-gen getracht deze informatie te verzamelen en te systematise-ren tot iets dat ‘polemologie’ zou kunnen worden genoemd. In het volgende zal een poging daartoe worden gewaagd.
Allereerst kunnen we constateren dat oorlogen, ondanks grote uiterlijke verschillen, vaak dezelfde psychologische struc-tuur bezitten. Ze vormen een soort compositie, met een begin, een middenstuk en een slot. Verder werken er steeds dezelfde (sociaal)psychologische mechanismen. Dat zijn echter geen vaste wetmatigheden zoals die te vinden zijn in de fysica, maar tendensen: ze treden vaak op, maar niet altijd. Deze tenden-sen bepalen niet zozeer het uiterlijke, politieke verloop van een oorlog, als wel het innerlijke, psychologische verloop. Ze be-palen ook het karakter van de tijdens de oorlog ontwikkelde theorieën, die voor een groot deel bestaan uit propaganda en eenzijdige voorstelling van zaken.
Als belangrijkste oorlogsmechanismen kunnen in dit ver-band worden genoemd:
1. Geweld roept tegengeweld op. Het is aannemelijk dat dit berust op een biologische reflex: als iemand wordt geslagen krijgt hij de neiging terug te slaan. In verband hiermee zijn er vele psychologische verklaringstheorieën ontwikkeld, vooral binnen de denkwereld van de psychoanalyse. Het is in deze theorieën gebruikelijk om in de keten van de gebeurtenissen een extra schakel in te voeren: iemand wordt geslagen, daar-door ontstaat er in zijn psyche vergeldingsdrang, deze vergel-dingsdrang breng hem ertoe terug te slaan en door deze daad wordt de vergeldingdrang bevredigd (en verdwijnt). De ver-geldingsdrang wordt hier dus beschouwd als een oorzaak, niet als een begeleidend gevoel. Aan de hand van deze verklarings-theorieën ontstaan er vele vragen. Geeft het ook bevrediging als men wraak neemt op een vervangingsobject (het zonde-bokmechanisme)? Als een mens niet de macht heeft lichame-lijk of materieel wraak te nemen, in hoeverre voldoet het dan om geestelijk wraak te nemen (sublimatie)? Wat gebeurt er binnen de psyche van een mens als hij op geen enkele manier kan terugslaan? Kan de vergeldingdrang dan uit zichzelf ver-dwijnen? Of verandert deze dan in een soort vergif dat de psy-che van binnenuit aantast? En wat is vergeving?
2. Ketenvorming en escalatie. Wanneer partij A partij B aan-valt en schade toebrengt zal in partij B behoefte aan vergel-ding ontstaan en deze partij zal trachten zich te wreken door partij A schade toe te brengen. Als dat lukt ervaart partij A zich op zijn beurt als aangevallen en zal op zijn beurt trachten zich te wreken op partij B. Op deze wijze ontstaan er ketens van vergeldingsdaden. Het schoolvoorbeeld hiervan vormt de bloedwraak in de oudheid.
Bij dergelijke ketens hebben beide partijen (om ‘eens en vooral een eind te maken aan de oorlog’) de neiging harder terug te slaan dan ze werden aangevallen. Deze escalatie geldt ook voor de keuze van de wapens: als de ene partij ongeoor-loofde wapens gaat gebruiken kan de andere partij niet ach-terblijven, als de ene partij burgers als schild gaat gebruiken kan de andere partij er niet onderuit burgerdoelen te gaan bombarderen.
Deze toenemende behoefte aan vergelding uit zich ook in de zich parallel aan het toenemende militaire geweld ontwik-kelde argumenten en theorieën. Waren die aanvankelijk wel-licht zuiver inhoudelijk, weldra sluipen daar betekenissen in die bedoeld zijn om de tegenstander te kwetsen en die men daar-om ‘vergeldingselementen’ zou kunnen noemen. Bij het naar voren brengen van argumenten kan men bijvoorbeeld zakelijk schrijven: ‘Maar er geldt ook dat…’ Algauw echter gaat men kleinerende formuleringen gebruiken als: ‘Maar de auteur weet niet dat…’ of: ‘Ongelovigen menen hier dat ….’ (zie de discus-sie tussen Luther en Erasmus in hoofdstuk 3).
3. Het passeren van een ‘point of no return’. In het begin van een dergelijke keten van elkaar veroorzakende vergeldingsda-den is er vaak nog de mogelijkheid om via onderhandelingen verdere escalatie te vermijden. Langzamerhand raakt men echter zo verbitterd dat men een psychologisch omslagpunt passeert waarna men niet meer streeft naar een compromis, maar naar vernedering of vernietiging van de vijand. Soms worden er voor de vorm nog onderhandelingen gevoerd, maar men stelt dan zulke hoge eisen dat men van tevoren weet dat ze voor de tegenstander onacceptabel zijn. Iets soortgelijks gebeurt in de theorievorming: men gaat formuleringen ge-bruiken die onverenigbaar zijn met die van de tegenstander of men creëert onverzoenbare dogmatische tegenstellingen (zie paragraaf 3.6).
4. Aanpassing van de eigen samenleving. Tijdens een oorlog wordt men gedwongen de eigen samenleving ondergeschikt te maken aan de efficiency van de oorlogvoering. Democrati-sche organisatiestructuren worden vervangen door autoritaire structuren, vrij wetenschappelijk onderzoek wordt een ontoe-laatbare luxe.
Ook de waarden en normen gaan zich aanpassen aan het oorlogsproces: de eigen meningsvorming wordt onderdrukt en voor een eigen geweten is geen plaats meer. Hierbij verliest men vaak ook de waarden en normen waarvoor men denkt te strijden. Dit geldt voor beide partijen. Natuurlijk denken beide partijen dat ze na de oorlog hun cultuur wel weer zullen restau-reren. Maar voorlopig wordt alles ondergeschikt gemaakt aan het winnen van de strijd.
5. Uitputting en verenging van het denken. In een totale oor-log gaan beide partijen tot aan de grens van de totale uitput-ting. Dat geldt voor de burgerbevolking, maar nog meer voor de soldaten die naar het front worden gestuurd. Er is eenvou-dig geen energie meer over voor nuancering: de levensbe-schouwingen worden gereduceerd tot slechts enkele slag-woorden. In theorie zouden dat kernachtige formuleringen kunnen zijn van de diepste waarden waarvoor men strijdt, maar vrijwel onvermijdelijk verworden ze tot uiterlijke symbo-len en uitgeholde slogans.
6. De leiders gaan geloven in hun eigen propaganda. Leiders maken om draagvlak te creëren altijd propaganda voor hun eigen opvattingen, dat gebeurt ook in vredestijd. Maar in oor-logstijd laten zij de norm van de waarheid volledig los en be-schouwen zij ter wille van het ‘hogere doel’ verdraaiingen, trucs en leugenachtige bedenksels als geoorloofd. Hierbij is er echter geen eenrichtingsverkeer tussen de leiders en degenen die geleid worden, want de leiders worden meegevoerd op de golven die ze zelf hebben opgeroepen. Zij kunnen zich niet meer voorstellen dat de opvattingen die de massa kennelijk met graagte accepteert onjuist zouden kunnen zijn. Zo wor-den de bedenksels van de propagandisten bevestigd.
7. Het demoniseren van de tegenstander. De soldaten aan het front zijn vaak burgers die tot voor kort hebben geleefd in het waarden- en normensysteem van vredestijd. Nu worden zij plotseling gedwongen om op grote schaal medemensen te doden en zij hebben behoefte aan morele rechtvaardiging. Er moet hun niet alleen worden verzekerd dat de tegenpartij alle schuld draagt, maar ook dat het geen nut heeft (en dat het zelfs gevaarlijk is) om te trachten zich te verplaatsen in de ar-gumenten van de tegenstander omdat die in wezen onmense-lijk en demonisch zijn. Hij kan niet meer worden bekeerd en moet worden gedood, want hij heeft zich overgegeven aan het absolute kwaad. Ook in deze behoefte moet de propa-ganda voorzien.
8. Het ontstaan van wederzijdse afhankelijkheid. Zoals be-kend hebben landen vaak een uitwendige vijand nodig om niet uiteen te vallen. Dit maakt ze afhankelijk van elkaar: ze vormen één systeem. Hetzelfde geldt voor politieke partijen, ‘linkse’ en ‘rechtse’ kranten en columnisten die voortdurend tegen elkaar tekeergaan. Afzonderlijk zouden ze niet kunnen bestaan, maar door elkaar te bestrijden houden ze elkaar in stand. Wanneer men ze zou kunnen samenvoegen en teza-men beschouwen zouden ze elkaar uitwissen, zoals in de na-tuurkunde een materiedeeltje en een antimateriedeeltje teza-men annihileren en verdwijnen in het niets.
9. Psychologisch gezien gaan beide partijen steeds meer op el-kaar lijken. Doordat er radicalisering optreedt zou men de in-druk kunnen krijgen dat de strijdende partijen en hun opvat-tingen steeds verder uit elkaar groeien. Maar het is van essen-tieel belang om bij hun opvattingen een formeel aspect en een psychologisch aspect te onderscheiden. Formeel gezien bij-voorbeeld staan de opvattingen ‘Duitsland is begonnen’ en ‘Frankrijk is begonnen’ diametraal tegenover elkaar, maar in psychologisch opzicht betekenen ze hetzelfde, namelijk: ‘De andere partij is begonnen.’ Om nog een voorbeeld te noemen: formeel gezien staan de opvattingen ‘Elzas-Lotharingen is van Frankrijk’ en ‘Elzas-Lotharingen is van Duitsland’ diametraal tegenover elkaar, maar psychologisch gezien betekenen ze beide: ‘Elzas-Lotharingen is van ons’. Algemeen kan men zeg-gen: terwijl de formele tegenstellingen tussen de partijen zich verscherpen, gaan ze in psychologisch opzicht steeds meer op elkaar lijken. Bij beide partijen treedt verharding op, verruwing van waarden en normen, verenging van het denken (tunnelvi-sie) en onwil en onvermogen zich in te denken in de positie van de tegenstander.
Hier ligt waarschijnlijk ook de verklaring voor het verschijn-sel dat strijdende partijen vaak precies hetzelfde doen als wat ze de andere partij verwijten. Het is heel moeilijk om dit com-plexe verschijnsel te doorgronden, maar Eric Hoffer (1951) schreef reeds over de ‘onderlinge inwisselbaarheid van massa-bewegingen’ en dezelfde gedachte zit in de bekende uitspraak dat de fascisten zich na de Tweede Wereldoorlog zouden voordoen als antifascisten. Het lijkt dat het voor beide partijen vrijwel onmogelijk is om dit zelf in te zien en dat er altijd een derde partij nodig is om een objectief oordeel te kunnen vel-len.
10. Het einde van de oorlog: vergeldingsdrang en oorlogstribu-naal. Oorlogen kunnen op verschillende manieren tot een ein-de komen: door capitulatie, doordat beide partijen zijn uitge-put of doordat men tot inkeer komt. Tijdens de oorlog zijn de emoties hoog opgelopen en wanneer men na de oorlog pro-beert terug te keren tot het normale leven is het uitermate moeilijk die een plaats te geven. Vooral overheersend is de vergeldingsdrang, die in de oudheid bijvoorbeeld leidde tot de plundering en verkrachting van een ingenomen stad en in moderne tijden minimaal tot bijltjesdag. Hierna volgen soms pogingen tot rechtspraak, zoals het verdrag van Versailles of het tribunaal van Neurenberg. Aangezien deze worden geor-ganiseerd door de overwinnaar en worden beheerst door ver-geldingsdrang is de kans dat men tot een objectief oordeel zal komen vrijwel nihil. Grote invloed krijgen ook degenen die voortdurend oproepen tot waakzaamheid, opdat nergens de gehate vijand opnieuw de kop zal opsteken.
11. De nabije geschiedschrijving: de visie van de overwinnaar. Direct na de oorlog begint de geschiedschrijving: hoe heeft het allemaal kunnen gebeuren? Deze geschiedschrijving ligt aanvankelijk grotendeels in het verlengde van de tijdens de oorlog door de overwinnaar gevoerde propaganda en het na afloop van de oorlog gehouden tribunaal. Maar wanneer de samenleving langzamerhand terugkeert naar de normen en waarden die behoren bij vredestijd beginnen de mensen met verbazing en afgrijzen terug te kijken naar het geweld dat zij hebben gebruikt en de vele doden die zijn gevallen. De over-winnaars hebben het meeste geweld gebruikt (zij zijn niet voor niets de overwinnaars) en zij beginnen zich af te vragen of al dat geweld wel nodig is geweest. Er ontstaat behoefte aan historici die uitleggen dat dit geweld onvermijdelijk en ge-rechtvaardigd was omdat de vijand alle schuld had. Telkens opnieuw wil men horen hoe slecht de vijand was en hoe on-vermijdelijk het geweld.
12. De latere geschiedschrijving. Het schrijven van de ge-schiedenis is een proces van vele tientallen jaren. Langzaam evolueren de waarden en de normen en hiermee verandert ook het beeld van de vijand. Maar er is, zoals men vooral na de Tweede Wereldoorlog heeft kunnen zien, een wisselwerking: de haat tegen de vijand kan zo sterk blijven dat deze gaat wer-ken als een constant aanwezige tendens om de waarden en normen zodanig te verschuiven dat deze er zo slecht mogelijk af komt, dat hij (om de terminologie van Kant te gebruiken) ‘verschijnt’ als de verpersoonlijking van het absolute kwaad. Vooral Friedrich Nietzsche en Max Scheler hebben zeer indrin-gend geschreven over de rol van het ressentiment in een der-gelijke verschuiving van de moraal, volgens Nietzsche kan het ressentiment zelfs scheppend worden en geheel nieuwe more-le waarden gaan voortbrengen. Men moet zich dan natuurlijk wel afvragen of deze normen wel zo hoogstaand zijn als ze zich willen voordoen. Ook dreigt het gevaar van verabsolute-ring: zo werd de Tweede Wereldoorlog voor velen niet alleen een moreel ijkpunt, maar zelfs het énige morele ijkpunt.
Pas heel veel later komt er ruimte voor een genuanceerder beeld en kan men gaan proberen de door de oorlogsmecha-nismen vervormde en gevormde geschiedenisopvattingen te corrigeren. Dat leidt onvermijdelijk tot heftige emotionele debatten. Ook het schuldgevoel blijft een rol spelen, dat lijkt vooral na de Tweede Wereldoorlog het geval.